Abonneer
nu
gratis
ACTUALITEIT
10 mei 2012

O... nee

De veroordeling van het Vlaams Blok na een politiek proces - door kritische juristen terecht omschreven als “een juridische draak” - wakkerde destijds de twijfels aan over de onafhankelijkheid van het gerecht. Die twijfels zijn nog lang niet weg, zeker na het recente vonnis van de Brusselse rechtbank van koophandel. Na een klacht van ... | Lees meer
09 mei 2012

Vlaanderen flitst 4 keer meer

Vlaanderen flitst 4 keer meer dan Wallonië. Dat blijkt uit het antwoord van minister van Justitie Turtelboom (Open VLD) op een vraag van Vlaams Belang-senator Anke Van dermeersch. 109.791.503 In 2010, het laatste jaar waarvoor volledige cijfers beschikbaar zijn, werden in heel België 2.796.270 verkeersovertredingen vastgesteld en be ... | Lees meer
Wat België nu overkomt, staat al 180 jaar in de sterren geschreven. Dit land is een product van de Franstalige bourgeoisie. 1830 was een ramp voor ons, Vlamingen, een ramp, de grootste sinds 1585 en de val van Antwerpen."
Robert Senelle (Grondwetspecialist), 06.11.2010

Meer citaten

Dossiers

DE VOORSTELLEN VAN BART DE WEVER:

EEN ORDINAIRE BELGISCHE STAATSHERVORMING

24.11.2010 15.37u - Op 17 oktober maakte Bart De Wever zijn voorstellen kenbaar omtrent een verdere staatshervorming.[1] Die voorstellen zijn helaas vaak erg ontgoochelend, vooral als men ze bekijkt in het licht van het N-VA-verkiezingsprogramma en het communautaire programma van de Vlaamse traditionele partijen zoals die vervat zijn in de Vlaamse resoluties van 1999[2] en de Octopusnota van de Vlaamse regering van oktober 2008.[3]

Het verkiezingsprogramma van de N-VA is vanuit Belgisch perspectief zonder meer ambitieus te noemen. Het behelst de vervanging van de federale staat door een confederaal bestel, wat een ingrijpende hervorming van de staatsstructuur inhoudt en effectief het opdoeken van de federale staatsstructuur behelst (geen senaat meer, geen federale verkiezingen meer, een kamer als bondsparlement van de deelstaten, een zuiver protocollaire koning). Inzake Brussel wordt een bijzonder statuut voorzien en wordt extra financiering in vraag gesteld. BHV moet zonder onderhandelen en zonder toegevingen worden gesplitst. Wat de financiën betreft worden ook hier de rollen omgekeerd: alle fiscale bevoegdheden komen bij de deelstaten terecht, net zoals de federale overheidsschuld, en de federale overheid wordt met dotaties van de deelstaten gefinancierd. Inzake buitenlands beleid vinden we eenzelfde verlegging van het zwaartepunt. Tenslotte wordt wat de bevoegdheden betreft zowat alles inzake economie, tewerkstelling, sociale zekerheid, gezondheidszorg, energie, en grote delen van mobiliteit en justitie overgeheveld naar de deelstaten.

Het programma van de Vlaamse traditionele partijen is vanzelfsprekend minder ambitieus, maar trekt toch wel enkele duidelijke krijtlijnen over de richting waarin de staatshervorming moet gaan. Het federale model wordt daarin behouden, maar vertrekt wel van een tweeledige staatsstructuur op basis van de twee deelstaten Vlaanderen en Wallonië, en een bijzonder statuut voor Brussel en de Duitstalige gemeenschap (het model 2+2). Grotere constitutieve autonomie behoort eveneens tot het programma, en de residuaire bevoegdheden (art. 35 GW) moeten voortaan bij de deelstaten terechtkomen. Inzake financiën wordt o.m. de volledige overheveling van de personenbelasting gevraagd en ristorno's wat de vennootschapsbelasting betreft. Aangaande de transfers wordt weliswaar gepleit voor het behoud van de zogenaamde solidariteit, maar dan wel op een objectieve en doorzichtige manier. Wat tenslotte de bevoegdheden betreft wordt er geopteerd voor coherente bevoegdheidspakketten en wordt gevraagd een aantal bevoegdheden concreet over te dragen.

Vergelijkt men deze krachtlijnen met de voorstellen van Bart De Wever, dan kan men niet anders dan vaststellen dat hij vér onder de lat van zijn eigen verkiezingsprogramma duikt, maar ook niet de minimumnormen uit de Vlaamse resoluties van 1999 en de Octopusnota van 2008 haalt. Bovendien worden er op een aantal punten principiële toegevingen gedaan die regelrecht indruisen tegen enkele krachtlijnen uit zijn eigen programma en uit het minimumprogramma van de Vlaamse partijen.

I. Hervormingen van de staatkundige structuur

Zo ambitieus de voorstellen van het N-VA-verkiezingsprogramma zijn op het vlak van de hervorming van de staatkundige structuur, des te bescheidener zijn de voorstellen die De Wever in zijn nota lanceert.

Zijn voornaamste voorstel komt neer op een uitbreiding van de constitutieve autonomie van de gemeenschappen en de gewesten. Verder op het menu staan een eigen Rekenhof, gewestelijke volksraadplegingen, bevoegdheden over het eigen ambtenarenkorps en het invoeren van een arbeidsvrije dag voor de feestdagen van de gemeenschappen (p. 33-34). Dat zijn veeleer aanvullingen in de marge van de huidige werking van de gewesten en gemeenschappen, maar geen voorstellen die een trendbreuk brengen in de staatkundige organisatie.

Hierbij moeten bovendien twee kritische bedenkingen worden geplaatst. Ten eerste stelt men zich de vraag hoe het voornemen meer constitutieve autonomie te verlenen aan de deelstaten te rijmen valt met de voorstellen die De Wever over de politieke vernieuwing doet (p. 5). Daarin neemt de volgende federale regering een aantal initiatieven om het statuut van de parlementsleden voor alle parlementen gelijk te schakelen. Het komt ons voor dat een en ander een inbreuk of een beknotting vormt op de in het vooruitzicht gestelde constitutieve autonomie voor de deelstaten.

Ten tweede is het duidelijk dat de voorstellen die De Wever lanceert om de autonome werking van de gemeenschappen en gewesten verder te vervolledigen, ook betrekking hebben op het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Dat vormt niet alleen een flagrante inbreuk op zijn eigen verkiezingsprogramma, de resoluties van 1999 en de Octopusnota, waarin geopteerd wordt voor twee deelstaten en een specifiek statuut voor Brussel (2 + 2), maar is ook een kapitale politieke fout. Op die manier wordt het Brussels Hoofdstedelijk Gewest verder uitgebouwd tot een région à part entière met alle gevolgen van dien. Vlaanderen wordt daarmee in Belgisch staatsverband niet alleen geminoriseerd tegenover de tandem Wallonie-Bruxelles; in het licht van de toekomstige onafhankelijkheid van Vlaanderen wordt hiermee aan Brussel de gelegenheid geboden om zich meer dan ooit te voren op te werpen als een entiteit met staatkundige aspiraties en wordt het des te gemakkelijker om aan de aansluiting bij Vlaanderen te ontsnappen.

Verder stelt De Wever voor om de Senaat en de monarchie te hervormen, maar deze voorstellen zijn dermate vaag geformuleerd dat men er alle kanten mee uitkan. Hoe dan ook vallen zij in het niet in vergelijking met de eisen die geformuleerd worden in het N-VA-verkiezingsprogramma waar de Belgische instellingen grotendeels worden ontmanteld ten voordele van twee quasi soevereine (deel)staten. Zij gaan (mogelijk) wel meer in de richting van wat hierover in het minimumprogramma van de Vlaamse traditionele partijen wordt geëist, maar er ontbreken enkele belangrijke stukken om aan dit minimumprogramma te voldoen: de eigen grondwetgevende autonomie en het verleggen van de residuaire bevoegdheid van de federale overheid naar de deelstaten.

Er kan dus geen sprake zijn van een Copernicaanse omwenteling in de voorstellen van De Wever op het vlak van de hervorming van de staatkundige structuren. De federale overheid blijft haar regisseursrol in het Belgische huishouden stevig in handen houden; de winstpunten op weg naar Vlaamse zelfstandigheid zijn veeleer marginaal te noemen. Er wordt bovendien een zware hypotheek gelegd op het Vlaamse onafhankelijkheidsstreven door een verdere verzelfstandiging van Brussel als derde gewest.

II. Brussel

Hierboven wezen we er reeds op dat het Brussels Hoofdstedelijk Gewest verder wordt uitgebouwd tot een volwaardig derde gewest naast Vlaanderen en Wallonië. Er worden echter nog ander toegevingen gedaan inzake Brussel.

Hoewel de N-VA in haar verkiezingsprogramma stelt dat Brussel helemaal niet ondergefinancierd is, treedt Bart De Wever in zijn voorstellen deze these wél bij en gaat hij akkoord om Brussel op structurele basis extra te financieren a rato van 350 miljoen euro per jaar waarvan 50 miljoen afhankelijk wordt gemaakt van een hervorming van de Brusselse instellingen (p. 37). Bovendien wordt dit gebetonneerd in een bijzondere wet, wat zoveel betekent als dat dit nooit meer zal kunnen worden teruggedraaid. Dit is een kapitale fout. De herfinanciering van Brussel is immers zowat het enige punt waarop de Franstalige partijen vragende partij zijn om de staat verder te hervormen. Door op dit punt toe te geven, geeft Bart De Wever vrijwel het enige wapen uit handen waarmee de Franstaligen op korte en middellange tot verdere stappen in de staatshervorming te bewegen zijn.

Ook inzake de bevoegdheidsoverdrachten wordt niet voor de juiste opties gekozen. In de Vlaamse resoluties van 1999 wordt een duidelijke keuze gemaakt om de bicommunautaire sector (de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie - GGC) af te bouwen en de deelstaten Vlaanderen en Wallonië inzake gemeenschapsmateries in Brussel hun volle bevoegdheid te geven. De voorstellen van De Wever om het gezinsbeleid, de kinderbijslag en het kraamgeld in Brussel over te hevelen naar de GGC druisen daar volledig tegenin (p. 24). Dit komt dus eveneens neer op een versterking van de Brusselse instellingen en wel ten koste van de zeggenschap van de gemeenschappen.

Er wordt ook een begin gemaakt van de inmenging van Brussel (en Wallonië) in wat de grote stedelijke agglomeratie rond Brussel wordt genoemd. Zo worden verkeersplannen en wegenwerken (o.m. op Vlaams grondgebied) die toegang tot Brussel verschaffen via bijzondere wet verplicht onderworpen aan een voorafgaand overleg tussen de drie gewesten (p. 37). Dit is niet alleen een embryonale start van de inmenging van Brussel (en Wallonië) in de eromheen liggende brede Vlaamse rand, maar tevens een beknotting van de Vlaamse autonomie ter zake.

Voor wat de Vlaamse verzuchtingen inzake Brussel betreft, wordt slechts op één punt ingegaan, maar dan wel heel vaag en zonder enige concrete resultaatsverbintenis. Inzake taalwetgeving zal een werkgroep worden opgericht om het tweetalig karakter te versterken en de dienstverlening te garanderen. Dit is niets anders dan een vage omschrijving van de Vlaamse eis om de taalwetgeving beter te doen naleven én van de Franstalige tegeneis dat de dienstverlening daarmee niet in het gedrang mag komen. Dit stelt met andere woorden zo goed als niets voor zodat er geen bindende afspraken komen om de problematische taalsituatie in Brussel kordaat op te lossen.

Bart De Wever begaat met het hoofdstuk Brussel dus net dezelfde fouten als al zijn voorgangers: bevoegdheidsoverdrachten naar Vlaanderen (en de andere deelstaten) worden afgekocht met toegevingen op het vlak van Brussel. Het is de Franstalige voorstelling van zaken inzake Brussel die het bijna over de hele lijn haalt op de Vlaamse voorstelling van zaken.

III. Brussel-Halle-Vilvoorde

Over Brussel-Halle-Vilvoorde zijn het N-VA-verkiezingsprogramma en het Octopusakkoord vrij duidelijk: geen onderhandelingen daarover, maar een zuivere splitsing.

Dit wordt niet gerealiseerd in de voorstellen van De Wever (p. 35-37). Weliswaar wordt het arrondissement zowel administratief als gerechtelijk gesplitst, maar dan wel ten koste van onaanvaardbare toegevingen in de 6 randgemeenten:

· In deze gemeenten kunnen de Franstaligen kiezen voor ofwel de lijsten van de kieskring Vlaams-Brabant, ofwel die van de kieskring Brussel.

· De faciliteiten blijven ten eeuwigen dage gebetonneerd en de moeizaam bevochten omzendbrieven Peeters en Martens worden teruggeschroefd doordat Franstaligen in deze 6 gemeenten door één verzoek gedurende 3 jaar al hun documenten in het Frans kunnen krijgen. Dit driejaarlijkse verzoek is tot op het einde der dagen hernieuwbaar.

· De behandeling van beroepsprocedures bij de Raad van State inzake communautaire aangelegenheden worden onttrokken aan de exclusieve bevoegdheid van de Nederlandstalige Kamers en toevertrouwd aan een Nederlandstalige kamer waaraan een Franstalig lid wordt toegevoegd. De exclusieve Vlaamse voogdij over deze gemeenten wordt hiermee doorbroken.

· Dezelfde regeling wordt gevolgd voor de 3 balorige burgemeesters waarvan de benoeming door de Vlaamse regering geweigerd werd.

Dit zijn ongetwijfeld een aantal maatregelen waarmee de faciliteitenregeling in de 6 opnieuw wordt uitgebreid en versterkt. Daarmee geeft De Wever opnieuw een slecht signaal, vooral in het licht van het verdere Vlaamse onafhankelijkheidsstreven. Het geeft immers nieuw voedsel aan de Franstalig-Brusselse aanspraken op deze zes gemeenten en hypothekeert in geval van uiteenvallen van België de aanspraken van Vlaanderen op deze gebieden. Het vergroot in dat geval de kans op de aansluiting van Brussel bij Wallonië door de creatie van een corridor tussen Brussel en Wallonië (via de aanhechting van Sint-Genesius-Rode).

IV. Financiën

De voorstellen op financieel vlak vormen het koninginnenstuk in de hervormingsplannen van De Wever (het beslaat dan ook één derde van zijn tekst), maar niettemin duiken zij ver onder de lat van zijn eigen verkiezingsprogramma en ook onder die van de Vlaamse resoluties, waaraan evenwel wel voor een deel tegemoet wordt gekomen.

In zijn verkiezingsprogramma kiest de N-VA voor echte en volledige fiscale autonomie door alle fiscale bevoegdheden over te dragen aan de deelstaten. In het N-VA-model worden de rollen m.a.w. omgedraaid en is het voortaan de federale staat die gefinancierd wordt door dotaties van de gewesten. Het programma van de traditionele partijen gaat vanzelfsprekend minder ver. Hier wordt gepleit voor een versterking van de financiële en fiscale autonomie, ook wat de inkomsten betreft. Concreet gaat het o.m. over een volledige bevoegdheid over de eigen gewestbelastingen en enkele andere inkomstenbronnen, een volledige overdracht van de personenbelasting, en meer bevoegdheden inzake vennootschapsbelasting.

Wat stelt De Wever voor (p. 17-23)?

Inzake de financiering van de gewesten:

· Wat de eigen gewestelijke belastingen betreft verandert er niets. De federale overheid blijft hier dus een vinger in de pap hebben, o.a. op het vlak van het bepalen van de belastbare materie en een aantal uitzonderingsgronden. Deze belastingen blijven dus ondergeschikt aan de federale regelgeving. Nochtans eisen de resoluties van 1999 hierover volledige zeggenschap op.

· Grote veranderingen zijn er wel in de opbrengst uit de gewestelijke personenbelasting. Hier wordt het huidige dotatiesysteem volledig vervangen door een gesplitst tarief-model. Voortaan zouden de federale overheid en de gewestelijke overheden autonoom elk hun tarief bepalen. Afgaande op de huidige opbrengst van de personenbelasting zou hiermee ongeveer 45% in handen van de gewesten komen. Bovendien krijgen de gewesten nu meer mogelijkheden om aan een aantal modaliteiten van de personenbelasting te sleutelen: er komt bvb. bijkomend exclusieve bevoegdheid over vrijstellingen en belastingaftrekken inzake de personenbelasting voor zover het met hun eigen bevoegdheden te maken heeft. In vergelijking met de huidige situatie wordt hier zeker een goede stap vooruit gezet, maar de Vlaamse resoluties van 1999 vragen de "volledige overdracht van bevoegdheid inzake de personenbelasting" Ook deze horde haalt de Wever dus niet.

· De zogenaamde solidariteitsbijdragen, een ander woord voor transfers, blijven behouden, maar aan de formule wordt wel duchtig gesleuteld. Zij verloopt voortaan van het federale niveau naar het gewestelijke niveau (in plaats van nu van de rijkste regio naar de armere regio's). Bovendien kan zij nooit meer het volledige verschil inzake fiscale capaciteit tussen de gewesten compenseren: de compensatie ligt tussen 60 tot 80% ervan. Hiermee wordt wel tegemoet gekomen aan de eis uit de resoluties van 1999 dat het solidariteitsmechanisme niet tot gevolg mag hebben dat het ontvangende deelgebied per capita meer overhoudt dan het betalende deelgebied, maar deze vereveningsfactor is vrij hoog en zet daarom weinig aan tot responsabilisering. Of hiermee aan de eis tot "objectieve, duidelijke en doorzichtige mechanismen" is voldaan, is een andere vraag. Hoe dan ook blijft er een automatisch en verplicht transfermechanisme bestaan waarop Vlaanderen geen enkele vat heeft. De wijziging van de manier waarop die transfer gebeurt (federaal ip.v. via de regio's) verandert daar weinig aan en is eerder cosmetisch van aard; bovendien is hij veel minder transparant dan wanneer die via de regio’s verloopt. Van een vrijwillig aangegane solidariteit kan in dit model dus geen sprake zijn.

· Wat de vennootschapsbelasting betreft komt er slechts een heel minimale autonomie die erop neerkomt dat de gewesten het federale tarief mogen bijsturen via vrijstellingen en aftrekken als er een direct verband is met hun economisch beleid. Onduidelijk blijft evenwel welke return de gewesten hiervoor zullen krijgen, vermits het de federale overheid zal zijn die hiervan de vruchten kan plukken. Van een regionalisering is in alle geval geen sprake: de vennootschapsbelasting blijft stevig federaal verankerd.

Inzake de financiering van de gemeenschappen:

· De toegewezen delen uit de opbrengst van de personenbelasting, tot op heden uitsluitend afkomstig van de federale overheid, zal voortaan voor een deel van de federale overheid komen, en voor een deel van de door de gewesten geheven (nieuwe) gewestelijke personenbelasting. Ten gronde verandert er hier dus niets.

· Voor het overige, met name wat de BTW-overdrachten betreft, blijft alles hetzelfde. Op dit vlak is er dus op geen enkel moment sprake van fiscale autonomie of responsabilisering en blijft het dotatiesysteem ten volle in voege. De ermee gepaarde gaande transfers van Vlaanderen naar Wallonië inbegrepen.

Verschillende maatregelen moeten de herfinanciering van Brussel verzekeren: 1. Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest profiteert het meest van de afschaffing van de negatieve term en krijgt aldus aan de inkomstenzijde meer uit de personenbelasting; 2. Aan de uitgavenzijde worden de trekkingsrechten vanuit het Brussels Hoofdstedelijk Gewest ten voordele van de gemeenschapscommissies afgeschaft; en 3. Er komt een afzonderlijke extra financiering van jaarlijks 300 miljoen, verhoogd met 50 miljoen indien dit gepaard gaat met structurele hervormingen van de Brusselse instellingen. Zoals al eerder gesteld is deze royale herfinanciering van Brussel een kapitale fout.

Concluderend kan men dus stellen dat de BFW weliswaar op enkele punten grondig wordt herzien, maar zij blijft bestaan als een federaal keurslijf waarbinnen de financiering van de gewesten en gemeenschappen moet plaatsgrijpen. Enkel op het vlak van de personenbelasting wordt een goede sprong voorwaarts gemaakt, maar ook deze is slechts gedeeltelijk: 46% van de dotaties op dat vlak blijft immers bestaan. Bovendien is het maar de vraag of het uitgedokterde systeem erg responsabiliserend zal werken. Op alle andere vlakken zijn de maatregelen eerder marginaal en kan er geen sprake zijn van echte fiscale autonomie. Via verplichte "solidariteit" blijft bovendien de welvaartsstroom van Vlaanderen naar Wallonië bestaan.

Noteren we ten slotte dat er in de nota van De Wever met geen woord wordt gesproken over de splitsing van de staatsschuld, die verantwoordelijk is voor het grootste deel van de transfers van Vlaanderen naar Wallonië en Brussel, en dat ook de transfers in de sociale zekerheid, eveneens een stuk groter qua welvaartoverdrachten dan via de financieringswet, ongemoeid worden gelaten.

V. Bevoegdheidsoverdrachten

In het verkiezingsprogramma van de N-VA is het de betrachting om zowat alle bevoegdheden naar de deelstaten over te hevelen. Er wordt benadrukt dat alle sociaal-economische hefbomen en instrumenten bij de deelstaten moeten komen te liggen om tot een volledige economische autonomie te komen. Sociale zekerheid, gezondheidszorg, energiebeleid moeten volledig worden overgeheveld. Ook inzake mobiliteit en justitie wordt heel wat opgeëist. De Vlaamse resoluties van hun kant leggen vooral de nadruk op coherente bevoegdheidspakketten, het toekennen van de residuaire bevoegdheid aan de deelstaten en somt een aantal specifieke eisen op over een aantal concrete dossiers inzake justitie, gezondheids- en gezinsbeleid, arbeids- en tewerkstellingsbeleid, economie, wetenschaps- en technologiebeleid, telecommunicatie, mobiliteitsbeleid, ontwikkelingssamenwerking en binnenlandse zaken.

Het dient gezegd dat Bart De Wever een aantal van de verzuchtingen uit de Vlaamse resoluties herneemt, maar ze zijn over het algemeen zeer fragmentarisch en detaillistisch. Ongetwijfeld wordt hiermee op een aantal vlakken een stap tot meer coherente bevoegdheidspakketten gezet, maar anderzijds wordt nieuwe versnippering van bevoegdheden in het leven geroepen. Zijn voorstellen blijven m.a.w. nog altijd voor een stuk steken in een niet-systematische staatshervorming, om het met zijn eigen woorden te zeggen.

Inzake werkgelegenheid en arbeidsmarkt wordt de controle op de beschikbaarheid en bestraffing van werklozen deels herschikt met meer bevoegdheden voor de gewesten, maar de regelgeving blijft wel federaal. Het doelgroepenbeleid wordt volledig overgeheveld naar de gewesten, maar niet de daarmee samenhangende bevoegdheid omtrent de generieke of structurele RSZ-bijdragevermindering. Inzake arbeidsbemiddeling worden een aantal resterende federale bevoegdheden en programma’s eveneens overgedragen, net zoals een aantal andere specifieke aspecten die betrekking hebben op dit beleidsdomein. De voorstellen komen in essentie overeen met de eisen die in het Vlaamse minimumprogramma geformuleerd staan, maar De Wever blijft wel onder de lat van zijn eigen verkiezingsprogramma vermits een volledige economische autonomie hoegenaamd nog niet wordt gerealiseerd.

In de gezondheidszorg worden verder bevoegdheden overgedragen aan de gemeenschappen, maar helaas blijft de federale overheid nog altijd sleutelposities behouden op dit domein. De federale overheid blijft initiatiefrecht behouden inzake preventie, hoewel nu al exclusief een gemeenschapsbevoegdheid. De voorstellen inzake gehandicaptenbeleid zijn vrij wazig. Wat ouderenzorg betreft worden enkele belangrijke bevoegdheden overgedragen. Hetzelfde geldt voor de eerstelijnsgezondheidszorg. Er komt voor de gemeenschappen een aanvullende normerende bevoegdheid bovenop de bestaande federale bevoegdheid ter zake. Belangrijk is de overdracht van de volledige bevoegdheid over de ziekenhuisinfrastructuur. Het grote probleem met de meeste van deze voorstellen is evenwel dat gezondheidszorg nog altijd een gedeelde bevoegdheid blijft tussen de federale overheid en de gemeenschappen en dat er niets wordt gedaan aan de transfers in de sociale zekerheid, onder meer via de gezondheidszorg. Aan de eis uit de Octopusnota om de normerings-, uitvoerings- en financieringsbevoegdheid over de volledige gezondheidszorg over te dragen komt De Wever dus bijlange na niet tegemoet.

De bevoegdheid van de gemeenschappen aangaande gezinsbeleid wordt vervolledigd met zeggenschap over de kinderbijslag en het kraamgeld. Hier is ogenschijnlijk een volledige overdracht aan de orde, wat tegemoetkomt aan de eisen uit de Octopusnota. Helaas wordt in Brussel deze bevoegdheid overgedragen aan de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie in plaats van aan de gemeenschappen, wat dan weer indruist tegen de expliciete eis in de Vlaamse resoluties om de bicommunautaire sector op te doeken en deze bevoegdheden bij de gemeenschappen te leggen. Bovendien wordt de zaak gefinancierd door het zo vermaledijde dotatiestelsel…

Een ander belangrijk luik vormt de Justitie, waar enkele flinke stappen worden voorgesteld. Wat de rechterlijke organisatie en werking betreft worden de rechtbanken van eerste en tweede aanleg naar de gemeenschappen overgedragen; in Brussel blijft dit federale bevoegdheid. Gemeenschappen en gewesten kunnen eigen administratieve rechtbanken oprichten en krijgen de bevoegdheid van opleiding en benoeming van de magistraten in de eigen rechtscolleges. In het vervolgings- en strafuitvoeringsbeleid krijgen de gemeenschappen (en deels de gewesten) eveneens een aantal bevoegdheden op hun beleidsdomeinen. Inzake jeugdbescherming wordt het volledige jeugdsanctierecht eveneens aan de gemeenschappen overgedragen. Deze voorstellen vinden grotendeels hun inspiratie in de Vlaamse resoluties van 1999 en de Octopusnota, zodat men kan stellen dat de daarin geuite verzuchtingen grotendeels in de Wevers nota vervat zijn. Er ontbreekt slechts één belangrijk hiermee verbonden luik volledig in de nota van De Wever: de politie.

Tenslotte bevat de nota nog een hoofdstuk over de verruiming en homogenisering van de bevoegdheden. Hierin worden allerlei gedetailleerde randbevoegdheden of specifieke instellingen waarvoor de gewesten of gemeenschappen reeds gedeeltelijk bevoegd zijn voor een stuk of geheel verder overgedragen aan de deelstaten. Zij vinden ofwel hun oorsprong in wat reeds was vervat in de zogenaamde borrelnootjes[4], het eigen verkiezingsprogramma en in de resoluties en de Octopusnota van de Vlaamse meerderheidspartijen.

Concluderend willen wij stellen dat er op meerdere vlakken enkele belangrijke bevoegdheidsoverdrachten worden voorgesteld. Wat de reeds bestaande bevoegdheden van de gemeenschappen en gewesten betreft die al grotendeels in hun handen zijn, wordt er inderdaad gestreefd naar en grotere homogenisering van de bevoegdheidspakketten, maar dit gebeurt zeker niet op alle vlakken. Enkele andere beleidsdomeinen waar de bevoegdheid van de gemeenschappen en gewesten nog maar marginaal (Justitie) of zeer partieel is (gezondheidszorg), worden verder aangesneden. Helaas stellen we vast dat dit op een niet-systematische wijze gebeurt, zodat het nog altijd gedeelde bevoegdheden blijven met een stevige greep van de federale overheid op sleutelelementen van de betreffende bevoegdheidsdomeinen.

Besluit

De voorstellen van Bart De Wever zijn, voor een Vlaams-nationalistische partij die over een riante electorale uitgangspositie beschikt, teleurstellend te noemen. Er wordt, op één uitzondering na, nergens een (relatieve) kwantumsprong gemaakt, en de voorstellen kleuren netjes binnen de Belgische lijntjes.

Inzake de hervorming van de staatkundige structuur zijn de voorstellen uiterst bescheiden. Nergens wordt het primaat, de regisseursrol van het Belgische federale niveau in vraag gesteld. Een verschuiving van het zwaartepunt naar de deelstaten is in geen enkel opzicht aan de orde. De Belgische federale staat, met zijn grendels, bijzondere meerderheden, alarmbellen, belangenconflicten, blijft met andere woorden pal overeind staan.

De meeste Belgische staatshervormingen hebben een koninginnenstuk, een domein waar een trendbreuk wordt gerealiseerd. en dat heeft die van Bart De Wever ook op het vlak van de financiering van de entiteiten. Dat geldt met name op het vlak van de personenbelasting, waar Bart De Wever inderdaad redelijk flinke voorstellen doet, hoewel hij hiermee nog lang niet de minimumnormen uit de resoluties van 1999 haalt. Herinneren we er ook aan dat dit thema op de politieke agenda werd gezet op aandringen van CD&V en Groen!, en dat Bart De Wever in zijn herenakkoord met Di Rupo had afgesproken hier niet aan te morrelen.

Ook hier sluit hij echter aan bij oude Belgische tradities. Het is een klassiek gegeven dat bevoegdheden worden overgedragen in ruil voor (hoofdzakelijk Vlaams) geld aan de Franstaligen, en dat is ook hier het geval met de financieringsvoorstellen voor Brussel. Het is het enige item waarvoor de Franstaligen vragende partij zijn, en dat wordt met deze voorstellen uit handen gegeven.

Eveneens klassiek is dat de transfers van Vlaanderen naar Wallonië niet fundamenteel in vraag worden gesteld en Vlaanderen bijgevolg verder kan betalen.

Er worden ook fundamentele en onaanvaardbare toegevingen gedaan, die flagrant in strijd zijn met de Vlaamse eisen en wensen, maar ook met de zogenaamde Baert-doctrine.[5] Ook dat is een klassiek ingrediënt van de Belgische staatshervormingen.

· Het is een klassiek ingrediënt van de meeste staathervormingen dat meer autonomie voor Vlaanderen moet worden afkocht met een verder loslaten van Brussel. Dat is ook hier het geval. Brussel wordt verder uit Vlaanderen weggesneden door het constitutieve autonomie toe te kennen, waardoor het meer dan ooit tevoren kan argumenteren dat het een région à part entière is. Hierdoor komt Vlaanderen in Belgisch staatsverband niet alleen te staan tegenover de as Wallonie-Bruxelles, maar wordt de gewenste aansluiting van Brussel bij Vlaanderen in geval van het uiteenvallen van België zwaar gehypothekeerd. Brussel zal in een dergelijke situatie meer dan ooit tevoren ten aanzien van de internationale gemeenschap zijn soevereiniteit kunnen opeisen.

· Hetzelfde geldt voor de splitsing van Brussel-Halle-Vilvoorde, waar extra faciliteiten worden gegeven aan de Franstaligen. Ook hier is Bart De Wever met zijn voorstellen de wegbereider van een aansluiting van deze gemeenten bij Brussel en van de realisatie van de territoriale verbinding van Wallonië met Brussel in geval van uiteenvallen van de Belgische federatie.

Wat de bevoegdheden betreft, wordt er effectief voorgesteld om een aantal zaken (verder) over te dragen aan de gewesten en/of gemeenschappen. Voor een deel gebeurt dit in het kader van een streven naar meer homogene bevoegdheidspakketten. Maar voor een ander deel gebeurt dit nog altijd op een niet-systematische wijze, met stukken en brokken.

De communautaire conflicten worden dus grotendeels niet ontmijnd door duidelijke keuzes te maken en een duurzame oplossing te creëren. Met de voorstellen van De Wever wordt hoogstens een situatie geschapen die niet meer is dan een tussenstap in het staat(her)vormingsproces, een tussenstap waarin reeds de kiemen vervat zitten voor een voortzetting van het communautaire conflict dat België splijt en onbestuurbaar maakt. Met hetgeen nu aan voorstellen voorligt, is het voor ons immers onduidelijk waar in essentie het verschil wordt gemaakt met de eerdere staatshervormingen die door de traditionele partijen in het verleden werden gerealiseerd. Wat Bart De Wever voorstelt kan dan ook niet anders dan een ordinaire Belgische staatshervorming worden genoemd, met alles erop en eraan wat daarbij hoort.

Deze vaststelling betekent voor het Vlaams Belang meteen ook het failliet van de participatiestrategie die De Wever volgt. Er is nu immers proefondervindelijk aangetoond dat zelfs een Vlaams-nationalistische partij met een flink confederaal programma, en die over een riante electorale uitgangspositie beschikt door het feit dat zij incontournable is voor de federale regeringsvorming, er niet in slaagt om via deelname aan de Belgische macht fundamentele bressen te slaan in het Belgische bestel en grote stappen te zetten op weg naar Vlaamse zelfstandigheid. Het concept van de participatiestrategie deugt niet om Vlaanderen zonder grote kleerscheuren verder te verzelfstandigen, a fortiori niet voor een Vlaams-nationalistische partij, en dat heeft Bart De Wever met zijn nota nu proefondervindelijk bewezen. Hoog tijd dus om over te schakelen naar een andere strategie: die van de boedelscheiding.






[1] Verslag aan Koning Albert II, 17 oktober 2010, niet gepubliceerde nota, 48 p.


[2] Vlaams parlement, stukken 1339-1343 (1998-1999).


[3] Gepubliceerd als bijlage bij de regeringsverklaring van de Vlaamse regering van 13 juli 2009 (Vlaams Parlement, stukken, nr. 31(2009)/1, p. 109-114).


[4] De bescheiden eerste pogingen van de regering-Leterme om tot een staatshervorming te komen en die hun neerslag vonden in drie parlementaire stukken van de Senaat (nrs. 4-602, 603 en 604), maar nooit gestemd zijn geraakt.


[5] De Baert-doctrine stelt dat verdere stappen in een staatshervorming aan de volgende voorwaarden moeten voldoen om aanvaardbaar te zijn: 1. het moet een aanzienlijke stap zijn in de richting van meer zelfstandigheid; 2. het mag verdere stappen niet onmogelijk maken; 3 er mag geen onredelijke prijs voor betaald worden.

StartActualiteitPersberichtenDossiersPublicatiesTijdschriftAndere sitesContact
© 2005-2012 Splits.be - Algemene voorwaarden