Dossiers
BEKE EN DI RUPO GROTENDEELS OP ZELFDE SPOOR
08.08.2011 14.31u -
Vergelijking wetsvoorstellen:
Beke en Di Rupo grotendeels op zelfde spoor
Op 20 juli zette Beke Di Rupo onder druk: vier elementen moesten uit de nota Di Rupo
verwijderd worden en inzake BHV zou opnieuw vertrokken worden van de wetsvoorstellen
Beke, die een compromis vormden tussen de standpunten van N-VA en PS. Intussen
belandden de wetsvoorstellen van zowel Di Rupo als Beke via een gunstige wind op onze
werktafel. Een analyse ervan noopt ons tot de vaststelling dat Di Rupo de voorstellen van
Beke in belangrijke mate gekopieerd heeft en slechts hier en daar heeft aangepast in een voor
de Franstalige partijen gunstige zin. Beke zelf is uiterst royaal tegemoetgekomen aan de
francofone eisen, waardoor er van een “propere splitsing” helemaal geen sprake is. Dat
Wouter Beke het “hard gespeeld” zou hebben, is bijgevolg een fabeltje.
Wellicht is Beke er in geslaagd om de federale kieskring en het minderhedenverdrag van de
agenda te halen, maar wat betreft de tweetalige kieslijsten bestaat er onduidelijkheid, vermits
het verbod op tweetalige lijsten in een van de wetsvoorstellen van Di Rupo wel degelijk
geschrapt wordt. Ook de regeling van het taalgebruik in Brussel zou zogezegd naar een
werkgroep verhuizen. We moeten evenwel vaststellen dat deze kwestie door Beke zelf in
detail werd uitgewerkt in een van zijn wetsvoorstellen; de tweetaligheid in Brussel wordt
door Beke helemaal op de helling gezet. Di Rupo heeft dit wetsvoorstel in grote mate
overgenomen en een aantal knopen doorgehakt waar Beke onderhandelingsruimte voorzag.
Deze belangrijke kwestie is dus allerminst verzonden naar de Griekse kalender.
Dat de federale kieskring en het minderhedenverdrag (voorlopig) uit het debat geweerd
worden, kunnen we nauwelijks als een prestatie bestempelen omdat het hier om excessieve
Franstalige eisen gaat die helemaal haaks staan op de splitsing: via de invoering van de
federale kieskring zou de splitsing in de praktijk ongedaan gemaakt worden en via het
minderhedenverdrag zouden de faciliteiten niet alleen fors uitgebreid worden, maar
bovendien uitgesmeerd over heel Vlaanderen. Het is duidelijk dat Di Rupo van meet af aan
wist dat deze eisen zouden sneuvelen.
1. BHV
1.1Kieskring BHV:
De wetsvoorstellen van Beke en Di Rupo lijken als twee druppels water op mekaar. Het enige
wezenlijke verschil is dat Di Rupo de bijzondere modaliteiten inzake de faciliteitengemeenten
in de Grondwet wil betonneren, zodat ze in de toekomst enkel nog via een bijzonder
meerderheid kunnen gewijzigd worden. Di Rupo voorziet ook geen wetsvoorstel meer voor de
wijziging van de verkiezingen voor de Senaat, vermits deze in zijn nota wordt afgeschaft.
Voor het overige zijn de wetsvoorstellen identiek en concorderend met de nota-Di Rupo die
op 4 juli werd voorgesteld:
-volledig afzonderlijke kieskring Vlaams-Brabant (15 zetels) en Brussel (14)
-samenvoegen van de zes faciliteitengemeenten in “kanton Sint-Genesius-Rode”
-mogelijkheid om in deze zes gemeenten voor zowel Brusselse als Vlaams-Brabantse lijsten
te stemmen
-kiesdrempel 5%, ook in Brussel
-geen apparentering en nergens lijstenverbindingen mogelijk, ook niet in Brussel
-allicht geen Brusselse Vlaming meer in Kamer
-systeem van coöptatie in Kamer moet “ondervertegenwoordiging” compenseren
Commentaar:
1.De kieskring wordt niet volledig gesplitst: de
zes faciliteitengemeenten gaan voortaan
onderdeel uitmaken van zowel de Brusselse als de Vlaams-Brabantse kieskring. Het gaat niet
om inschrijvingsrecht, zoals we dat kennen in Voeren en Komen: de kiezers moeten zich niet
eens verplaatsen als ze voor Brusselse lijsten willen stemmen.
Het spreekt vanzelf dat de Franstalige partijen uit Brussel hun campagnes zeer zwaar zullen
toespitsen op deze gemeenten, waardoor de Zes nog meer dan vroeger een twistgebied zullen
vormen. Het gaat hier om een belangrijke nieuwe stap in de richting van de annexatie van
deze gemeenten. Vanuit deze faciliteitengemeenten kan overigens ook voor Vlaamse lijsten in
Brussel gestemd worden. Om zelf te kunnen overleven zullen de Brusselse Vlamingen in deze
gemeenten campagne komen voeren. Het aantal stemmen voor Vlaams-Brabantse lijsten zou
daardoor wel eens verwaarloosbaar klein kunnen worden, wat het francofone argument zal
versterken dat deze gemeenten nauwelijks nog een band met Vlaanderen zouden hebben.
2. De faciliteitengemeenten worden vreemd genoeg ook weggerukt uit hun Vlaamse
kieskanton en samengebracht in een
kunstmatig kanton dat uitsluitend uit
faciliteitengemeenten zal bestaan. Objectief gezien bestaat daar geen enkele reden voor, maar
het is duidelijk dat men de resultaten van deze gemeenten apart wil tellen om de gestage
neergang van de Vlaams-Brabantse lijsten in de verf te kunnen zetten. Dit zal trouwens
automatisch leiden tot een verminderde campagne van de Vlaams-Brabantse politici in de
betrokken gemeenten. Heel symbolisch wordt corridorgemeente Sint-Genesius-Rode tot
kantonhoofdplaats uitgeroepen.
3. Zowel volgens het voorstel-Beke als volgens het voorstel-Di Rupo wordt
de “bijzondere
modaliteit” inzake de faciliteitengemeenten voorzien “om de gewettigde belangen van de
Nederlandstaligen en de Franstaligen in de gewezen provincie Brabant te vrijwaren.” Dit is
modaliteit” inzake de faciliteitengemeenten voorzien
“om de gewettigde belangen van de
Nederlandstaligen en de Franstaligen in de gewezen provincie Brabant te vrijwaren.” Dit is
Nederlandstaligen en de Franstaligen in de gewezen provincie Brabant te vrijwaren.” Dit is
hoogst leugenachtig. De regeling komt duidelijk tegemoet aan de belangen van bepaalde
anderstalige inwoners in de faciliteitengemeenten, maar ze druist manifest in tegen de
belangen van de Vlamingen in Brussel. Sterker nog: zij worden voor de Kamer in de steek
gelaten. Er komt immers geen apparentering (verbinding) met de lijsten uit Vlaams-Brabant,
zoals voorzien was in de Vlaamse splitsingsvoorstellen. Ook kunnen zij zich onderling niet
verbinden. Er komt dus geen poolvorming voor de Vlaamse stemmen zoals bij de Brusselse
gewestverkiezingen, noch een gewaarborgde vertegenwoordiging. Bovendien wordt het aantal
Franstalige stemmen in Brussel kunstmatig en fors (met een paar tienduizenden) opgedreven
door de faciliteitenregeling. De kiesdrempel van 5% zonder poolvorming betekent dat een
stem voor een Vlaamse partij per definitie een verloren stem is, want alle Vlaamse partijen in
Brussel vallen onder deze drempel.
Waar men op electoraal vlak de Franstaligen in de faciliteitengemeenten tot en met verwent,
worden de Vlamingen in hun eigen hoofdstad dus helemaal miskend. Di Rupo stelt overigens
onomwonden dat de kans reëel is dat
“geen enkele Nederlandstalige partij nog een
rechtstreeks verkozen vertegenwoordiger heeft uit de nieuwe kieskring Brussel-Hoofdstad”,
rechtstreeks verkozen vertegenwoordiger heeft uit de nieuwe kieskring Brussel-Hoofdstad”,
reden waarom het systeem van gecoöpteerde parlementsleden blijft bestaan.
Mogelijk gevolg hiervan is dat de Vlamingen in de toekomst zouden opkomen met een
eenheidslijst, maar in het verleden is steeds gebleken dat dit electoraal allerminst loont.
Bovendien zou wellicht enkel de lijsttrekker verkozen zijn, wat onvermijdelijk zou leiden tot
stevige ruzies. En dan hebben we het nog niet over de mogelijke uitsluiting van bepaalde
partijen.
Veel waarschijnlijker is dat er voor de Kamer met tweetalige lijsten zal gewerkt worden in
Brussel, waarbij de Vlamingen, net zoals met de unitaire partijen in BHV tot de jaren ’70,
afhankelijk zullen zijn van de welwillendheid van de Franstaligen. Gevolg is dat alleen
“Flamands de service” of zeer onderdanige Vlamingen naar voor zullen geschoven worden,
met bovendien een zeer minimale kans op verkiezing.
Om hier tegen in te gaan, heeft het Vlaams Belang inmiddels in Kamer en Senaat een
aangepast splitsingsvoorstel ingediend, waarbij de apparentering vervangen wordt door
poolvorming voor de twee taalgroepen in Brussel. Dit is allerminst een onredelijke of
overdreven eis, vermits dit systeem in Brussel vandaag al probleemloos wordt toegepast, niet
alleen bij de gewestverkiezingen, maar ook bij de Europese en de Senaatsverkiezingen.
1.2 Gebruik der talen in de zes randgemeenten / omzendbrief Peeters
Zowel in het voorstel Beke als in het voorstel Di Rupo wordt de taalwetgeving in de
faciliteitengemeenten helemaal aangepast: na een eenvoudige aanvraag krijgen Franstalige
inwoners zes jaar lang al hun documenten in het Frans. Dit is telkens hernieuwbaar. Elk
Nederlandstalig document van gemeente, OCMW of een ondergeschikte dienst of vzw zal in
de toekomst bovendien afgesloten worden met de vermelding (in het Frans en het Nederlands)
dat men zo’n aanvraag kan doen.
Commentaar:
Dit komt neer op een zeer drastische uitbreiding van de faciliteiten. Hiermee worden de zes
betrokken gemeenten in de praktijk grotendeels tweetalige gemeenten. De omzendbrief
Peeters, die bepaalt dat zulke aanvraag bij ieder document afzonderlijk dient te gebeuren,
wordt in de prullenmand gegooid, ondanks het feit dat de Raad van State deze omzendbrief in
herhaalde arresten wettig en conform de Grondwet heeft bevonden. Sterker nog: er worden
bestanden aangelegd van Franstalige en Nederlandstalige inwoners, hetgeen neerkomt op een
talentelling. Dit was tot op vandaag absoluut verboden.
Precies omwille van de negatie van dit verbod, heeft de Vlaamse regering terecht geweigerd
de drie burgemeesters te benoemen. Hun incivisme wordt nu over de gehele lijn beloond.
1.3 Benoeming burgemeesters
Beke voorziet twee mogelijkheden: ofwel komt er enkel een specifieke regeling voor de
benoeming van de burgemeesters uit de zes faciliteitengemeenten ofwel komt er een regeling
voor alle betwistingen over de geldigheid van verkiezingen en benoemingen, ook wat betreft
de parlementsverkiezingen (cfr. het Grosaru-arrest), de benoeming van ministers, de
aanstelling van gouverneurs, bestendige deputatie enz.
In dat laatste geval wil Beke alle betwistingen (ook deze inzake schepenen en OCMWvoorzitters)
toewijzen aan het Grondwettelijk Hof.
In het eerste geval houdt Beke in principe de Raad van State bevoegd, maar op verzoek van
de afgewezen burgemeester moet de Raad van State het dossier overmaken aan hetzij het
Grondwettelijk Hof, hetzij aan de (tweetalige) algemene vergadering van de Raad van State.
In het voorstel Di Rupo wordt het Grondwettelijk Hof meteen en bij uitsluiting bevoegd
gemaakt voor benoemingsbetwistingen inzake de zes gemeenten. Identiek aan beide
voorstellen is dat de Vlaamse regering binnen de zestig dagen na ontvangst van de
voordrachtsakte een beslissing moet nemen (benoemen of weigeren). Bij afwezigheid van
zo’n beslissing wordt betrokkene geacht van rechtswege burgemeester te zijn.
In beide voorstellen wordt ook de mogelijkheid voorzien dat de Raad van State of het
Grondwettelijk Hof bij kennelijk wangedrag de kandidaat-burgemeester voor een periode kan
uitsluiten van een nieuwe kandidaatstelling.
Commentaar:
Duidelijk is dat Beke er principieel geen bezwaar heeft dat het Grondwettelijk Hof deze
bevoegdheid overneemt van de Raad van State. Hoe dan ook is dit een gevoelige versterking
van de positie van de Franstaligen: het Grondwettelijk Hof is immers paritair N/F
samengesteld; de magistraten worden rechtstreeks vanuit de politieke partijen aangesteld en
zijn vaak gewezen politici. Dit is een wereld van verschil met de eentalig Nederlandstalige
kamers van de Raad van State die vandaag bevoegd zijn. Het is trouwens om deze reden dat
de afgewezen burgemeesters de voorbije jaren nooit een beroepsprocedure hebben ingesteld
tegen hun niet-benoeming.
Dat de Vlaamse overheid binnen de twee maand
moet overgaan tot de benoeming, is een
bijkomend en onterecht voorrecht. Elders in Vlaanderen kan het immers gebeuren dat de
minister een langere periode nodig heeft, bv. wanneer bijkomende overtuigingsstukken
moeten worden overgemaakt. Een benoeming tot burgemeester “van rechtswege” is een
novum waarbij zeer veel vraagtekens kunnen geplaatst worden. De autonomie van de
Vlaamse overheid wordt hiermee duidelijk ondergraven.
1.4 Geschillenbeslechting
De voorstellen van Beke en Di Rupo wat betreft het ‘Contentieux’ hebben betrekking op alle
geschillen inzake de interpretatie en de toepassing van de taalwetgeving in gemeenten met een
bijzondere taalstatuut. Concreet gaat het om alle faciliteitengemeenten (ook deze langs de
taalgrens en in Duitstalig gebied) en om de 19 Brusselse gemeenten. Het is de Franstalige
partijen al zeer lang een doorn in het oog dat de “Vlaamse” interpretatie van de faciliteiten
door de Nederlandstalige kamers van de Raad van State sterk verschilt van hun eigen,
extensieve en excessieve interpretatie.
Beke stelt voor dat de Raad van State bevoegd zou blijven, maar dat de klager een
prejudiciële vraag kan laten stellen aan het Grondwettelijk Hof dan wel de doorverwijzing
naar de (tweetalige) algemene vergadering van de Raad van State. Interessant is de
tijdsbeperking die wordt ingevoerd: deze procedure kan hoogstens tweemaal zestig dagen
duren. Voor Beke volstaat een aanpassing van de bijzondere wet van 8.8.1980 en van de
Brusselwet van 12 januari 1989.
Di Rupo maakt het Grondwettelijk Hof rechtstreeks bevoegd voor alle geschillen i.v.m. deze
taalwaarborgen. Hij stelt voor de Grondwet aan te passen en de bijzondere wet van 1989 op
het Grondwettelijk Hof.
Commentaar:
Het is duidelijk dat men Vlaamse juridische interpretaties inzake de taalwetgeving en de
faciliteiten in de toekomst volledig wil uitsluiten. Daarom moet de Raad van State aan
banden gelegd worden (voorstel Beke) of zelfs onbevoegd verklaard worden (Di Rupo).
Wanneer Vlaanderen binnen afzienbare tijd eigen administratieve rechtscolleges zou
oprichten, dan zullen deze uitdrukkelijk niet bevoegd zijn inzake de faciliteitenwetgeving.
Ook via deze weg wordt de Vlaamse autonomie verder uitgehold. De voorstellen van Beke en
Di Rupo liggen hoe dan ook in mekaars verlengde. De PS-voorzitter gaat alleen nog een
stukje verder dan zijn CD&V-collega.
2. Brussel
2.1. Toekenning van constitutieve autonomie aan Brussel
Zowel Beke als Di Rupo willen via een grondwetswijziging aan Brussel en aan de Duitstalige
Gemeenschap constitutieve autonomie verlenen. Dat betekent dat zowel de Brusselaars als de
Duitstaligen in de toekomst de werking en samenstelling van hun parlement en van hun
regering zelf kunnen bepalen.
In Vlaanderen en Wallonië moet dit gebeuren met een meerderheid van twee derden van de
uitgebrachte stemmen. Het lijkt evident dat hiervoor in Brussel tevens een meerderheid nodig
is in elke taalgroep, maar voor Beke is dit slechts een optie. Een alternatieve mogelijkheid is
dat hiervoor slechts de toestemming noodzakelijk is van één derde van de Nederlandstaligen.
In het voorstel Di Rupo is er enkel nog sprake van deze laatste optie.
Wouter Beke somt een aantal garanties voor Nederlandstaligen op waaraan geen afbreuk mag
worden gedaan. Een daarvan is het verbod van tweetalige lijsten voor de
gewestraadsverkiezingen. Uitgerekend dat belangrijke verbod wil Di Rupo opgeheven zien,
met als drogreden dat tweetalige lijsten zouden leiden tot een versterking van het tweetalig
karakter van Brussel.
Commentaar:
Beide voorstellen gaan diametraal in tegen de Vlaamse visie op Brussel, zoals verwoord in de
resoluties van 1999 of de Octopusnota. CD&V laat dus uitdrukkelijk de Vlaamse visie op
Brussel (als een gebied met een bijzonder status, naast de twee deelstaten Vlaanderen en
Wallonië) vallen en aanvaardt de Franstalige visie op België als een land dat bestaat uit drie
volstrekt gelijkwaardige gewesten.
Wanneer deze constitutieve autonomie bovendien eenzijdig door de Franstaligen kan worden
ingevuld, zelfs wanneer een ruime meerderheid Nederlandstaligen daartegen gekant is, dan
wordt de basis gelegd voor de totale marginalisering van de Brusselse Vlamingen. De
invoering van tweetalige lijsten vormt daarbij de kers op de taart: op die manier zullen de
Brusselse Vlamingen nog bijna enkel verkozen kunnen worden bij de gratie van de
Franstalige partijen, wat hen tot willoze
Flamands de service van de Franstaligen zal maken.
De fundamentele tweedeling van Brussel, met twee volwaardige en gelijkwaardige
gemeenschappen, dreigt hiermee doorbroken te worden. Als de Vlaamse politici zich hiertoe
laten verleiden, onderwerpen zij zich helemaal aan de francofone dominantie.
2.2. Oprichting van een metropolitane / grootstedelijke gemeenschap
Zowel Beke als Di Rupo vinden het nodig om bij bijzondere wet een nieuwe instelling te
creëren voor “Brussel en zijn hinterland”. Beke heeft het over een “Metropolitane
Gemeenschap” en Di Rupo spreekt over een “Grootstedelijke gemeenschap”, die een zone
zou beslaan van 1,8 miljoen inwoners en “bijna 35 gemeenten”, die zowel in Vlaanderen als
het Waals gewest gelegen zijn. Bijkomende details over deze gemeenten ontbreken.
Het zou gaan om een platform rond o.a. mobiliteit, tewerkstelling en ruimtelijke ordening,
waarrond volgens Beke de drie gewesten en de federale overheid een samenwerkingsakkoord
moeten afsluiten. Ook de provincies kunnen toetreden. Di Rupo heeft het over een
samenwerking tussen de gewesten (dus los van de federale overheid); ook gemeenten moeten
volgens hem tot dit platform kunnen toetreden.
Commentaar:
Het gevaar van deze nieuwe instelling kan nauwelijks onderschat worden.
1. Door deze regeling krijgen het Brussels én Waals gewest extraterritoriale inspraak voor
grondgebonden aangelegenheden over een deel van het Vlaamse grondgebied. Dit houdt met
andere woorden een doorbreking in van de exclusieve Vlaamse bevoegdheid in deze
aangelegenheden op een (overigens niet precies omschreven) deel van het Vlaams
grondgebied. Een dergelijk voorstel gaat dus in tegen de grondwettelijke indeling in gewesten
en gemeenschappen en het daaraan verbonden territorialiteitsprincipe.
2. Deze metropolitane gemeenschap vormt in feite de voorbode van een uitbreiding van het
Brussels gewest. De idee is ontstaan in de schoot van ondernemerskringen, maar werd meteen
politiek gerecupereerd. Daags nadat de laatste werkgeversorganisatie (Voka) er haar
handtekening had onder geplaatst (30 augustus 2009) kraaide Le Soir victorie op haar
frontpagina
: “Les patrons se mobilisent pour le Grand-Bruxelles”.
3. Niemand is tegen een verbeterde samenwerking tussen Brussel en Vlaams- en Waals-
Brabant, maar het is volstrekt verkeerd en uiterst nefast om de brede Rand rond Brussel te
bestempelen als “grootstedelijk.” De eigenheid van de Vlaamse Rand bestaat immers in het
groen en landelijk karakter ervan. Het moet de bedoeling zijn om dit landelijk karakter te
vrijwaren en de morfologische uitbreiding van Brussel tegen te gaan. Dat was ook de
ondubbelzinnige strekking van het gewestplan van 1977.
4. Wanneer ook gemeenten individueel kunnen toetreden tot dit platform, zoals in het
voorstel-Di Rupo, dan is het hek helemaal van de dam. Niet alleen de zes
faciliteitengemeenten maar ook gemeenten zonder faciliteiten zouden kunnen beslissen om
aan te sluiten bij Groot-Brussel, zonder dat Vlaanderen dat kan verhinderen.
Dit komt neer
op de realisatie van de stoutste dromen van de Franstalige politici: de olievlek van een
steeds verder uitdijende Brusselse agglomeratie is weer helemaal terug.
op de realisatie van de stoutste dromen van de Franstalige politici: de olievlek van een
steeds verder uitdijende Brusselse agglomeratie is weer helemaal terug.
5. Zelfs al komt dit niet neer op een formele uitbreiding van het gewest, toch zullen steeds
meer mensen binnen dit gebied zich identificeren met de “grootstad” en niet langer met
Vlaanderen of Vlaams-Brabant. Meteen wordt ook de weg geopend voor nieuwe
bemoeienissen van het Brusselse én het Waalse gewest in Vlaamse aangelegenheden op het
grondgebied van Vlaanderen. De belangrijkste drijfveer achter de strijd voor de splitsing van
BHV was nochtans het stopzetten van deze bemoeienissen. Dit wordt helemaal ongedaan
gemaakt. Bijzonder kwetsend is bovendien dat men onomwonden spreekt over een
“gemeenschap”: wordt hiermee een aanzet gegeven van een indeling van het land in vier
gemeenschappen, met name de Vlaamse, de Franstalige, de Duitstalige en de Brusselse?
2.3. Overleg inzake mobiliteit en regeling voor de Brusselse ring
Via een bijzondere wet wordt een verplicht overleg georganiseerd tussen de gewestregeringen
inzake mobiliteit naar en rond Brussel, verkeersveiligheid en wegenwerken. Er wordt geen
duidelijke omschrijving gegeven inzake territoriale afbakening van wat met “naar en rond
Brussel” wordt bedoeld. Op en afritten van de Brusselse ring mogen slechts worden
afgesloten of onbruikbaar gemaakt na akkoord van de drie gewestregeringen.
De voorstellen van Beke en Di Rupo zijn identiek. Aangezien ook hiervoor een grendelwet
wordt gebruikt, kan dit niet meer worden gewijzigd door de Vlaamse meerderheid zonder
instemming van de Franstaligen.
Commentaar:
Ook met deze regeling wordt inbreuk gepleegd op de exclusieve Vlaamse bevoegdheid inzake
mobiliteit, verkeersveiligheid en wegenwerken op zijn grondgebied. Door de open begrenzing
wordt de deur wagenwijd opengezet voor bemoeienis van de andere gewesten in deze
Vlaamse bevoegdheden.
Inzake de op- en afritten van de Brusselse ring is deze regeling bepaald dwingend en verliest
de Vlaamse regering volledig haar autonomie om deze af te sluiten of onbruikbaar te maken.
Van enige wederkerigheid is hier evenwel geen sprake: Brussel kan blijkbaar zonder enig
probleem zijn tunnels afsluiten zonder inspraak van wie dan ook…
Ook dit is dus een regeling die volledig kadert in de Franstalige politieke agenda om in
Belgisch verband de Brusselse olievlek uit te breiden en in post-Belgisch verband de
aanspraken op Vlaams grondgebied rond Brussel te vergroten.
2.4. Bijkomende financiering Brussel
Inzake de extra financiering van Brussel stellen we grote verschillen vast tussen de
voorstellen van Di Rupo en deze van Wouter Beke. Bizar genoeg wil Beke voor verschillende
posten veel hogere bedragen toekennen dan Di Rupo. Bij Beke ontbreekt evenwel een
totaalbedrag (hij legt 250 miljoen euro vast in wetswijzigingen), terwijl Di Rupo van zijn
totaal van 461 miljoen aan extra middelen slechts 155 miljoen vastlegt in wetswijzigingen.
Het overige gedeelte moet worden betaald via een “pendelaarsdotatie”, te financieren door
het Vlaamse en het Waalse gewest en via een dotatie “internationale ambtenaren”. Hoeveel
deze dotaties precies bedragen en welk bedrag door welk gewest betaald moet worden, blijft
ongeschreven.
Concrete verschillen tussen de voorstellen van Di Rupo en Beke hebben o.a. betrekking op de
gelden voor VGC en Cocof (waarvoor Beke 60 miljoen euro extra voorziet en Di Rupo 30
miljoen), een extra dotatie van 45 miljoen die Beke voorziet voor Brussel voor de kosten van
de pendelaarsmobiliteit en extra trekkingsrechten in het kader van het wergelegenheidsbeleid
(+ 36 miljoen euro). Di Rupo is dan weer wat guller inzake taalpremies (25 miljoen euro
versus 20) en inzake de compensatie van de zogeheten “dode hand” (25 miljoen i.p.v. 14).
Commentaar:
De grote verschillen tussen Beke en Di Rupo en de vage formuleringen tonen aan dat de extra
financiering voor Brussel (461 miljoen euro!) hoogst arbitrair is. Van een echte
verantwoording is geen sprake. Voor ons is de onderfinanciering van Brussel nog steeds
onvoldoende bewezen. De tekorten in het Brussels budget hebben voor een groot stuk te
maken met het wanbeheer in Brussel zelf. Minstens zou Brussel moeten ophouden met de
financiering van een reeks verplichtingen van de gemeenschappen en van de lokale besturen.
Opmerkelijk is dat Beke in zijn nota op blz 39 stelt dat een deel van de extra financiering pas
zou toegekend worden na validatie van een akkoord binnen de Brusselse regering over meer
transparantie en een meer efficiënte bestuurlijke organisatie.
Hoeft het te verwonderen dat hierover in de voorstellen van Di Rupo niets is terug te vinden?
2.5. Wijzigingen taalwetgeving Brussel
De wijzigingen aan de bestuurstaalwet voor Brussel zijn in de voorstellen van Beke en Di
Rupo zeer verregaand, zowel wat betreft de gewestelijke diensten als de lokale diensten.
1.Gewestelijke diensten
Hoewel de Vlamingen vragende partij waren voor meer tweetaligheid bij het personeel, blijft
de regel dat enkel de diensten tweetalig moeten zijn en dus niet het personeel. Zelfs in de
leidinggevende functies blijft de verplichte tweetaligheid beperkt tot 20% van het personeel
(10% Nederlandstaligen, 10% Franstaligen). Alleen bij de brandweer treedt er een wijziging
op: het operationeel kader zou er na verloop van tijd tweetalig moeten worden (bij Di Rupo:
een bepaald percentage van het operationeel kader).
In de toekomst zal in de gewestelijke diensten gewerkt worden met vaste taalkaders waarbij
het werkvolume niet langer een rol speelt. Hoewel dit voordelig lijkt voor de
Nederlandstaligen, kan dit in de praktijk leiden tot een achteruitgang van Nederlandstalig
personeel. Het laatste taalkader van het ministerie van het BHG (2006) wees 28,13% van de
betrekkingen toe aan de Vlamingen, nu is er bij Beke sprake van twee opties 30%
Nederlandstaligen of 20%. Di Rupo houdt het op 20%.
Daar bovenop komt dat het vak- en werkliedenpersoneel uit het taalkader zal worden
gehouden, wat betekent dat deze personeelscategorie volledig met (eentalig) Franstalig
personeel kan worden bemand. Ook gesco’s, tijdelijk personeel en uitzendpersoneel zouden
uit de toepassing van de taalwetgeving worden geschrapt.
2.Plaatselijke diensten (gemeenten, OCMW’s, lokale ziekenhuizen, politiezones)
De plaatselijke diensten stappen in beide voorstellen over van het principe van tweetaligheid
van het personeel naar tweetaligheid van de dienst. Tot nog toe gold voor alle lokale
ambtenaren en contractuele personeelsleden (behalve het vak- en werkliedenpersoneel en het
onderwijzend personeel) een algemene tweetaligheidsverplichting. Deze werd via
zogenaamde taalhoffelijkheidsakkoorden omzeild, maar bleef als uitgangspunt steeds
overeind als wettelijke norm en streefdoel. Dit wordt nu drastisch herleid:
slechts 50% van
de hogere functies en 25% van het lagere personeel moet voortaan nog tweetalig zijn.
de hogere functies en 25% van het lagere personeel moet voortaan nog tweetalig zijn.
Verzekerde tweetaligheid is er enkel nog voor de secretaris, de gemeenteontvanger en de
“human recource manager”. Bovendien vallen de PWA’ers, tijdelijk en uitzendpersoneel,
gesco’s, tewerkgestelden in kader van de OCMW-wet en de gemeentelijke cultuur– en
onderwijsdiensten voortaan volledig buiten deze verplichting. Bij de politiemensen wordt de
tweetaligheid voortaan pas noodzakelijk na twee jaar of misschien pas na vijf jaar (terwijl een
aanzienlijk deel van de jonge politiemensen slechts vijf jaar in Brussel werken).
Wel wordt gesteld dat de tweetaligheid van de dienst “in alle omstandigheden” moet
verzekerd worden en kan er niet met aparte loketten gewerkt worden.
Ook inzake de
taalkaders zijn er opmerkelijke wijzigingen: het vak- en werkliedenpersoneel
wordt voortaan volledig buiten het taalkader geplaatst en Di Rupo wil de pariteit bij de
leidinggevende functies uithollen door ook de tweetaligen buiten het taalkader te houden. Het
principe van 25% Nederlandstaligen wordt sterk uitgehold door een merkwaardig
afwijkingsmechanisme: pas wanneer een kader voor slechts 75% of zelfs maar 50% is
ingevuld, kan in het andere taalkader niet meer worden aangeworven.
Ook de
taalexamens zelf worden drastisch versoepeld: kennis van de andere taal wordt in de
regel beperkt tot de “vaardigheid om elementaire mondelinge boodschappen te begrijpen en
elementaire teksten te verstaan”. De Brusselse instanties krijgen bovendien greep op Selor, de
federale instantie die bevoegd is voor het vaststellen en afnemen van de taalexamens. De
taalpremies worden fors uitgebreid en komen volledig ten laste van de federale overheid.
Wat de
sancties inzake tweetaligheid betreft, zijn er enkele nieuwe elementen: het federale
niveau kan de betaling van de taalpremies inhouden voor gemeentebesturen die de
percentages niet halen. Nieuwe aanwervingen of promoties van eentaligen zijn in dit geval
niet toegelaten, maar Di Rupo holt dit meteen uit door promoties “buiten kader” wel toe te
laten en een uitzondering in te voeren “als er geen tweetaligen kunnen gevonden worden”.
Beke stelt ook voor dat het schorsingssysteem wordt gewijzigd. Het komt erop neer dat de
Brusselse ministers niet meer, zoals nu het geval is, een besluit moeten ondertekenen om een
onwettige (eentalige) aanstelling die door de vice-gouverneur werd geschorst, te vernietigen,
maar dat zij nu een besluit moeten tekenen om de schorsing van een aanstelling ongedaan te
maken. Dit voorstel wordt door Di Rupo evenwel geschrapt.
Tenslotte nog vermelden dat in de beide voorstellen de tweetaligheid van alle
spoed- en
MUGdiensten wordt verzekerd door de verplichte aanwezigheid van een arts en een
MUGdiensten wordt verzekerd door de verplichte aanwezigheid van een arts en een
verpleger van beide taalrollen of van houders van een taalbrevet. Dit wordt opgenomen in de
federale erkenningscriteria.
Commentaar:
Op de belangrijkste punten verschillen de voorstellen van Beke en Di Rupo nauwelijks. Beke
komt op een heel verregaande wijze tegemoet aan de eisen van de Franstaligen. In de nota-
Beke, worden bovendien heel wat kleinere elementen tussen [ ] gezet voor verdere
onderhandeling. In het wetsvoorstel-Di Rupo zijn de meeste van deze haakjes verwijderd en
werd reeds eenzijdig een politieke keuze gemaakt waarbij zo goed als steeds de versie die het
meest tegemoet komt aan de Franstalige verzuchtingen werd ingevuld.
Inzake de
gewestelijke diensten wordt er inzake tweetaligheid enkel een vooruitgang
aangekondigd wat betreft de brandweer. Voor het overige blijft eentaligheid er troef. Wat de
taalkaders betreft, dreigt een ernstige achteruitgang van het aantal Nederlandstaligen. Via de
uitzondering voor gesco’s, tijdelijk personeel en uitzendpersoneel wordt een hele straat
geopend om de taalwetgeving te omzeilen en Franstalige personeel aan te werven, zonder dat
er een evenwicht moet worden nagestreefd. Bij vak- en werklieden kunnen de
Nederlandstaligen voortaan helemaal worden uitgesloten.
Inzake de
gemeentelijke diensten moeten we vaststellen dat de sabotage van de
taalwetgeving door de Franstalige politici vandaag royaal wordt beloond: de tweetaligheid
wordt bijna helemaal onderuit gehaald, Vlamingen krijgen voortaan veel minder jobs en de
sterk verhoogde taalpremies zullen voortaan federaal (en dus voornamelijk door de
Vlamingen) betaald worden. De sabotage wordt dus met klinkende munt beloond.
Indien de taalwetgeving inderdaad in deze zin wordt hervormd, kunnen de Franstaligen
jarenlang naar hartenlust overal eentalig Franstaligen aanwerven, zonder dat iemand zich nog
kan verzetten. De diensten van het uitvoerend (werklieden) personeel, die vandaag vaak nog
in belangrijke mate bemand worden door Vlamingen, kunnen zij integraal verfransen.
Over de verplichte kennis van de andere landstaal in de lokale diensten schrijft Beke letterlijk:
“een quasi veralgemeende tweetaligheid van alle personeelsleden in de lokale diensten wijkt
te zeer af van de sociologische realiteiten in Brussel.” Deze bewering slaat nergens op: mede
Deze bewering slaat nergens op: mede
door het succes van het Nederlandstalig onderwijs en door het ruime aanbod aan taallessen
voor volwassen, was het aantal anderstaligen dat Nederlands kent in decennia nooit zo hoog
als vandaag. Met de drastische vermindering van de tweetaligheidsvereisten geeft men een
volkomen verkeerd signaal, met name dat de kennis van de andere landstaal minder belangrijk
is geworden.
De wettelijke tweetaligheid wordt bovendien herleid tot een belachelijk laag niveau. Met de
greep van het Brussels Hoofdstedelijk gewest op Selor ligt het voor de hand dat deze instantie
haar onafhankelijkheid verliest en onder curatele van de Franstaligen komt te staan, waardoor
serieuze taalexamens niet meer gewaarborgd zijn. Ook hier zijn de Vlamingen dus
verliezende partij.
Dat de tweetaligheid van de dienst voortaan “in alle omstandigheden” verzekerd wordt, is
niets anders dan een doekje voor het bloeden. Dit verandert juridisch immers niets aan de
huidige situatie, waar die tweetaligheid ook al verzekerd moet zijn.
De systematische en massieve overtreding van de taalwetgeving van de voorbije decennia
werd veroorzaakt doordat de bestaande
sancties niet efficiënt waren en dus ook niet werden
toegepast. De Vlamingen dringen dan ook al jaren aan om doeltreffende en waterdichte
sanctioneringsmechanismen in te voeren. Hieraan wordt nauwelijks tegemoetgekomen.
Bovendien wordt zodanig veel personeel vrijgesteld van tweetaligheid dat er gedurende vele
jaren niets zal kunnen ondernomen worden tegen de aanwerving van eentaligen. Ook het
inhouden van de federale tussenkomst in de taalpremies zal wellicht weinig indruk maken op
de Brusselse plaatselijke besturen.
Het omkeren van het toezicht, zoals voorgesteld door Beke, zou wel enig effect kunnen
sorteren. Zeker voor de OCMW’s zal dit een nuttige wijziging zijn omdat een besluit voor
deze diensten door zowel een Nederlandstalige als een Franstalige minister moet worden
ondertekend en de Vlaming niet zo snel geneigd zal zijn om hierin toe te geven. Of dat voor
de gemeenten ook het geval zal zijn, is zeer de vraag: daar moet maar één minister (nl.
diegene bevoegd voor de plaatselijke besturen) zulk besluit tekenen en dat is tot op heden
altijd een Franstalige minister geweest. Die ministers hebben tot nog toe systematisch
geweigerd om illegale benoemingen te vernietigen… De effectiviteit van deze maatregel is
dus maar half verzekerd. Bovendien is deze maatregel zeer uitdrukkelijk geschrapt in de
voorstellen van Di Rupo. Over de enige sanctioneringsmaatregel die (gedeeltelijk) echt
doeltreffend zou kunnen zijn en tegemoet zou kunnen komen aan de verzuchtingen van de
Vlamingen op dit vlak, bestaat m.a.w geen enkele overeenstemming.
Wat de
ziekenhuizen betreft wordt in feite niets nieuws naar voor geschoven, vermits de
federale minister van Volksgezondheid nu al, in het kader van Europese regelgeving, bezig is
een dergelijke maatregel uit te werken. De voorgestelde maatregel is bovendien uiterst
minimaal: zij heeft enkel betrekking op het onthaal en de behandeling in de spoed- en MUGdiensten.
Wat de andere diensten van de ziekenhuizen betreft, zou dit enkel geregeld worden
voor de IRIS-ziekenhuizen en de lokale ziekenhuizen in het kader van de regeling voor de
plaatselijke diensten. Zelfs van een verstrekte controle is vooralsnog geen sprake.
Conclusie: de voorstellen van Beke en Di Rupo zullen de tweetaligheid van Brussel drastisch
de voorstellen van Beke en Di Rupo zullen de tweetaligheid van Brussel drastisch
verzwakken in plaats van deze te versterken. Brussel wordt minder tweetalig en de electorale
kracht van de Vlamingen wordt gebroken. Dit is Wallo-Brux in de praktijk: Brussel wordt een
francofone stad, waar de Vlamingen blij mogen zijn dat ze er als minderheid geduld worden.
Bovendien krijgt Brussel een belangrijke claim op de zes faciliteitengemeenten en zelfs op
“zijn” hinterland. Kortom, de Vlamingen in Vlaams-Brabant en in Brussel zijn meer dan ooit
het kind van de rekening. Wie hier durft spreken van een propere splitsing, bedriegt de
bevolking.
Duidelijk is in ieder geval dat de meeste voorstellen van Beke en Di Rupo nauwelijks van
mekaar verschillen. Bart De Wever neemt intussen met klem afstand van deze voorstellen,
maar als we Beke mogen geloven, dan ging het om een compromis tussen N-VA en PS en
heeft De Wever er zich in de voorbije maanden wel degelijk in grote lijnen akkoord verklaard
met deze teksten.
Bart Laeremans